Publicaties

van Wil Tiemes


zeven bijdragen van Wil Tiemes

aan het digitaal vrouwenlexicon van Nederland (2013-2014)


Anna van Nassau

Anna van Nassau

Anna van Oranje

(1563-1588)

ANNA prinses van ORANJE, vooral bekend als Anna van Nassau (geb. Breda 5-11-1563 – gest. Franeker 23-6-1588). Dochter van Willem prins van Oranje (1533-1584) en Anna van Saksen (1544-1577).
Anna van Nassau trouwde op 25-11-1587 in Franeker met Willem Lodewijk graaf van Nassau-Dillenburg (1560-1620), stadhouder van Friesland. Het huwelijk bleef kinderloos.

lees meer ...

Anna van Nassau was de tweede dochter van Willem van Oranje en het oudste kind uit diens huwelijk met Anna van Saksen dat in leven bleef. Zij werd geboren in Breda, maar woonde vanaf 1567 op de Dillenburg, het stamslot van haar vader. In 1571 werd het huwelijk van haar ouders na de bewezen echtbreuk van haar moeder en de geboorte van een buitenechtelijk halfzusje (Christine) ontbonden; tot een officiële scheiding is het niet gekomen. Anna groeide op bij grootmoeder Juliana van Stolberg en oom Jan de Oude van Nassau-Dillenburg, broer van Willem van Oranje. Daar leerde ze ook haar neef en latere echtgenoot kennen: Willem Lodewijk, de oudste zoon van Jan de Oude. Toen Anna dertien was vertrok ze naar Dordrecht, waar ze werd ondergebracht bij haar stiefmoeder Charlotte de Bourbon, Willems derde echtgenote. Willem Lodewijk streed intussen mee in het leger van haar vader en raakte in Coevorden gewond aan zijn linkerknie, met het gevolg dat hij de rest van zijn leven mank liep.

Vanaf 1581 moeten Anna en Willem Lodewijk hun gevoelens van liefde voor elkaar hebben uitgesproken. Dat blijkt uit de brief die Willem Lodewijk in 1586 aan zijn vader schreef waarin hij meldt dat zijn affectie al ‘in zijn vijfde jaar’ is. Zijn vader maakte bezwaar tegen een huwelijk omdat zij volle neef en nicht waren en vooral vanwege de vele schulden van Anna’s intussen vermoorde vader. Willem Lodewijk schreef hem dat hij God had gebeden de liefde te blussen indien dit huwelijk niet geoorloofd en schadelijk was, maar dat zijn hart en zinnen standvastig waren en dat een huwelijk kennelijk Gods wil was. Ten slotte gaf zijn vader toestemming en op 2 mei 1587 werd het huwelijkscontract opgesteld. Op 10 november 1587 ging het paar in Delft in ondertrouw en op 25 november vond de bruiloft plaats in Franeker. Anna was gekleed in een ‘bruidstabbaard van gefriseerd zilveren laken met grote bloemen en hoge mouwen op zijn Frans, met een voorschoot van dezelfde stof met een gouden draad om die bloem’ (Van Ditzhuyzen, 42). Het paar vestigde zich in Leeuwarden, in het pand aan de Eewal dat sindsdien bekend staat als het Stadhouderlijk Hof. Na een niet goed verlopen zwangerschap stierf Anna, 24 jaar oud, in het huis van jonker Julius van Botnia in Franeker. Het huwelijk had zeven maanden geduurd.

Anna van Nassau werd begraven in de Jacobijnerkerk te Leeuwarden. In 1591 liet Willem Lodewijk een tombe van zwart marmer op de grafkelder plaatsen met daarop een albasten beeld van Anna. De tombe bevat twee inscripties: ‘Mihi Christus in vita et in morte est lucrum’ (Fil. 1:20) en ‘Hac in carne mea videbo Deum (Job 19). In Willem Lodewijks bezit bevonden zich blijkens een inventaris van december 1597 een ‘doodschilderij van haar genade’ en ‘het geschilderd hart van haar genade’. Willem Lodewijk hertrouwde nooit want: ‘die alte Affektion war zu gross’.

Naslagwerken

Van der Aa; Van Ditzhuyzen; NNBW; Oranje van A tot Z.

Literatuur en uitgegeven bronnen

  • L.H. Wagenaar, Het leven van graaf Willem Lodewijk, een vader des vaderlands, ‘Uz Heit’ (Amsterdam 1904) 117-130.
  • J.C. van der Does, Prinsessen uit het Huis van Oranje (Putten 1939) 27-35.
  • Inventarissen van de inboedels in de verblijven van de Oranjes en daarmede gelijk te stellen stukken 1567-1795, S.W.A. Drossaers en Th.H. Lunsingh Scheurleer ed., deel 2 (Den Haag 1974) 13-14.
  • W. Bergsma, ‘Willem Lodewijk en het Leeuwarder hofleven’, ’t Baeken 60 (1998) 191-256.

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 172

 


praalgraf Josina Walburgis en Herman Frederik graaf van den Bergh in Maastricht

praalgraf Josina Walburgis en Herman Frederik graaf van den Bergh in Maastricht

Josina Walburgis

(1615-1683)

LÖWENSTEIN-WERTHEIM-ROCHEFORT, Josina Walburgis gravin van (geb. Rochefort, Ardennen 1615 – gest. Maastricht 25-12-1683), abdis en opdrachtgeefster voor een opmerkelijk grafmonument.
Dochter van Johann Dietrich graaf von Löwenstein-Wertheim-Rochefort (1585-1644) en Josina gravin de la Marck (1583-1626).
Josina van Löwenstein trouwde op 16-12-1632  met Herman Frederik graaf van den Bergh (1605?-1669). Dit huwelijk bleef kinderloos.

lees meer ...

Josina was de oudste van zeven kinderen. Ook al was haar vader protestants, toch liet hij zijn oudste dochter op twaalfjarige leeftijd intreden in het stift Thorn, waar haar tante Anna van der Marck abdis was. Het – zeer rijke – stift was een rijksheerlijkheid die onder het Duitse Rijk viel met een geheel eigen bestuur waarin alleen hoog-adellijke vrouwen toegelaten werden. In maart 1631 volgde Josina haar tante op. Zo was zij op haar zestiende – en tegen haar zin – prinses-abdis. Desondanks moet zij in deze tijd Herman Frederik van den Bergh hebben ontmoet. Onbekend is hoe en waar de ontmoeting plaatsvond, maar vast staat dat zij op 16 december 1632 in het geheim met hem trouwde. Na de huwelijkssluiting keerde zij terug naar Thorn. Toen haar vader de zomer erop van het huwelijk hoorde, haalde hij Josina weg uit Thorn en sloot hij haar op in een klooster in Rochefort. Daar liet hij haar door speciaal daarvoor ingehuurde personen bewaken. Haar man Herman Frederik verklaarde later dat Josina er na vier jaar in slaagde met een list haar vrijheid terug te winnen om zich bij hem te voegen. Het paar woonde vervolgens op hun kasteeltje te Berlicum of het voor Josina gebouwde kasteel Walburg te Ohé en Laak. Verder verbleef het paar ook geregeld in Maastricht of Aken.

Herman Frederik sloot op 4 januari 1669 een contract met beeldhouwer Johan Bouchier voor het maken van een grafmonument, en overleed reeds drie maanden later. Dit contract is nog bewaard gebleven. Het opmerkelijke is dat Herman Frederik hierin bepaalde dat hij een grafmonument wilde waarop hij en Josina beiden knielend zouden zijn afgebeeld, maar zo is het niet uitgevoerd. Het paar is liggend afgebeeld: Herman Frederik ligt vooraan, in vol ornaat, te ‘slapen’ en Josina, met weduwesluier, ligt achter hem te waken, waarbij de zandloper onder haar hand het verglijden van de tijd aangeeft. Omdat het paar geen kinderen had lijkt het onwaarschijnlijk dat iemand anders dan Josina, zijn weduwe en erfgename, een dergelijk ingrijpende beslissing tot verandering heeft genomen. De manier waarop ze nu zijn afgebeeld, beiden in ruste maar de een duidelijk in leven en de ander dood, komt niet veel voor (voor vrouwen die in een vergelijkbare houding in een grafmonument zijn afgebeeld, zie Anna van Ewsum en Maria van Reigersberch). Door de onconventionele manier van afbeelden is Josina weliswaar bescheiden maar toch veel nadrukkelijker aanwezig. Ze eert niet alleen haar man maar ook zichzelf. In haar hand houdt zij een zakdoekje, als zodanig een belangrijke uiting van haar emotie. Kennelijk wil zij zo gezien en herinnerd worden, ondanks de toenmalige conventie dat het ongepast is om emoties te tonen.

De laatste tien jaar van haar leven bracht Josina de winters door in het jezuïetenklooster in Maastricht en de zomers op Walburg. Zij overleed op kerstavond 1683 en werd overeenkomstig haar wil ’s avonds zonder veel ceremonieel naast haar man begraven in de Dominicanenkerk te Maastricht. Vandaar werd hun grafmonument in 1805 verplaatst naar de St. Servaaskerk in Maastricht, waar het zich nog steeds bevindt.

Literatuur

  • J. Habets en A.J.A. Flament, De archieven van het kapittel der Hoogadellijke Rijksabdij Thorn, deel 2: Charters en bescheiden (Den Haag 1899).
  • A.J.A. Flament, ‘Limburgsche geschied- en oudheidkundige schetsen II: een miniatuur vorstendommetje op Nederlandsch grondgebied’, Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 53 (1917) 1-9.
  • F. Schmidt, ‘Die Frauen und Nachkommen des Grafen Heinrich vom Berge’, Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 3de serie, 3 (1922) 7-92.
  • A.P. van Schilfgaarde, Het archief van het huis Bergh (z.p. 1932).
  • J. Verzijl, ‘Limburgsche monumenten’, De Nedermaas 13 (1935) aug/sept., 132-135.
  • W. Sangers, ‘De graven en gravinnen van het kasteel Walburg te Ohé en Laak’, Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 85 (1949) 621-636.
  • A.P. van Schilfgaarde, Het huis Bergh (Maastricht 1950).
  • ‘De Maastrichtse beeldhouwer Joannes Bossier’, De Limburgse Leeuw 3 (1954).
  • M.G.M.A. van Heyst, ‘Nogmaals Joannes Bossier’, De Limburgse Leeuw 4 (1955).
  • W. Sangers en A.H. Simonis, Er ligt een eiland in de Maas: geschiedenis van Stevensweert en Ohé en Laak (Arnhem 1978).
  • U. Küppers-Braun, Frauen des hohen Adels im kaiserlich-freiweltlichen Damenstift Essen (1605-1803) (Münster 1997).
  • W. Tiemes, ‘Een contract is (g)een contract. Het praalgraf van Herman Frederik van den Bergh en Josina Walburgis in Maastricht’, De Maasgouw 125 (2006) 42-49.

 


praalgraf Maria van Reigersberch en Wilhelm van Leyre in Katwijk aan den Rijn

praalgraf Maria van Reigersberch en Wilhelm van Leyre in Katwijk aan den Rijn

Maria van Reigersberch

(1620?-1673)

REIGERSBERCH, Maria van, opdrachtgeefster van een opmerkelijk grafmonument.
Dochter van Johan van Reigersberch (1577-1633), hoogbaljuw en vanaf 1609 rentmeester-generaal van Zeeland Bewester Schelde, en Jacomina of Jacobijntke de Waert (gest. 1657).
Maria van Reigersberch (geb. Veere 1620? – gest. Katwijk 1673) trouwde in 1651 met Willem van Lyere, heer van Oosterwijk (1620?-1654) gecommitteerde ter Admiraliteit van Amsterdam en kapitein in Staatse dienst. Uit dit huwelijk werden 1 dochter en 1 zoon geboren.

lees meer ...

Maria was afkomstig uit een zeer rijke, maar niet adellijke familie. Zij trouwde in 1651 met Willem van Lyere, wiens vader (Willem van Lyere sr.) carrière had gemaakt als diplomaat en zich ‘heer van Oosterwijk en Berkenwoude’ mocht noemen. Op 28 februari 1654 werd Willem van Lyere jr. door de Staten met de heerlijkheid Katwijk beleend. Al heel snel erna, in oktober 1654, overleed hij onverwacht en gingen de heerlijke rechten van Katwijk over op Maria. Haar officiële titel luidde nu Vrouwe van de beide Catwijcken en ’t Zand en vrijwel meteen profileerde zij zich als een echte edelvrouwe met de voor de adel gebruikelijke belangstelling voor de eigen dynastie en het verleden. Ze gaf vooraanstaande schilders opdracht portretten van zichzelf en haar kinderen te maken. In 1655 vroeg zij Pieter Post, gerenommeerd architect in dienst van het stadhouderlijk hof, regenten en bestuurscolleges, een plan te maken voor de herbouw van kasteel Huis ’t Zant – een opdracht die nooit tot uitvoering is gekomen.

Rond 1660-1661 moet Maria opdracht gegeven hebben aan Rombout Verhulst om een grafmonument te ontwerpen voor een echtpaar in een voor de Nederlandse grafkunst onbekende enscenering. Zoals de conventie voorschreef ligt de man vooraan in vol ornaat te ‘slapen’, maar geheel nieuw is de modellering van de vrouw. Maria zelf ligt wel, maar haar hoofd is opgeheven en haar houding is melancholiek: het is het geruststellende beeld van een vrouw die waakt over haar man. Het dichtstbijzijnde voorbeeld van een vrouw in deze pose was het grafmonument in Parijs voor Valentine Balbiani, ontworpen door de bekende beeldhouwer Germain Pilon, die er in de jaren tachtig van de zestiende eeuw aan had gewerkt. Parijs was destijds toonaangevend voor zowel beeldhouwers als opdrachtgevers en speciaal dit grafmonument genoot al een zekere faam. Maria kan het met eigen ogen gezien hebben omdat haar tante Maria van Reigersberch, de vrouw van Hugo de Groot, lange tijd in Parijs heeft gewoond. Met dit ontwerp was de traditionele iconografie sterk veranderd: de vrouw krijgt optisch veel meer nadruk, en deze verschuiving zorgt voor een merkwaardige omkering van de gebruikelijke rolverdeling tussen man en vrouw.

Heel bescheiden en toch nadrukkelijk is Maria van Reigersberch in het monument aanwezig. Achter haar is de hele achterwand bedekt met kwartierstaten, familiewapens en een memoriebord met de – opgeklopte – titulatuur van zijn en haar familie. De boodschap is duidelijk: hier begint een succesvol geslacht. Zij eert niet alleen haar man maar ook zichzelf. Na haar dood is Maria zelf ook begraven in het familiegraf onder dit monument dat zich nog steeds in de N.H. kerk te Katwijk bevindt. Het is bijzonder dat zij zich heeft laten afbeelden vóórdat ze was overleden en dan ook nog in een herkenbaar portret. Slechts twee vrouwen in de Nederlanden hebben haar voorbeeld gevolgd: Anna van Ewsum en Josina van Loewenstein.

Literatuur

  • Adrianus Pars, Catti aborigines Batavorum, dat is: De katten de voorouders der Batavieren ofte de twee Katwijken, aan Zee en aan den Rijn. Van aantekeningen etc. voorzien door P. van der Schelling (Amsterdam 1745).
  • M.L.H. Eerdbeek-Claasen, ‘Het Zant en zijne bewoners’, Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Rijnland 22 (1929-1930) 105-138.
  • Frits Scholten, ‘De dood als slaap verbeeld: grafmonumenten door Rombout Verhulst in Katwijk en Leiden en andere zeventiende-eeuwse grafsculptuur in Zuidhollandse kerken’, Bulletin van de Stichting Oude Hollandse kerken 46 (1998) 11-23.
  • J. Aalbers e.a., Heren van Stand: Van Wassenaer 1200-2000. Achthonderd jaar Nederlandse adelsgeschiedenis(Zoetermeer 2000).
  • Frits Scholten, Sumptuous memories: Studies in seventeenth-century Dutch tomb sculpture (Zwolle 2003).
  • Wil Tiemes, Weduwes en praalgraven. Een onderzoek naar drie vrouwen uit de Gouden Eeuw als opdrachtgeefster en als model [ongepubliceerde doctoraalscriptie Universiteit Utrecht 2004].

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 273

 


Maria Elisabeth van den Bergh

Maria Elisabeth van den Bergh

Maria Elisabeth van den Bergh

(1613-1671)

MARIA ELISABETH gravin van den BERGH (geb. Stevensweert ?-1-1613 – gest. Bergen op Zoom 29-11-1671), door haar huwelijk prinses en later vorstin van Hohenzollern-Hechingen.
Dochter van Hendrik graaf van den Bergh (1573-1638) en Margaretha van Witthem (gest. 1627), erfdochter van de markies van Bergen op Zoom.
Maria Elisabeth van den Bergh trouwde op 19-3-1630 op haar kasteel te Boutersem met Eitel Friedrich prins van Hohenzollern-Hechingen, graaf van Sigmaringen (1601-1661), grootkanselier van het Roomse Rijk. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren, van wie alleen de dochter de volwassen leeftijd bereikte.

lees meer ...

Maria Elisabeth was het eerste wettige kind van graaf Hendrik van den Bergh. Ze werd Lieske genoemd of Isabella, naar aartshertogin Isabella, in wier streng-katholieke omgeving ze deels opgroeide. Haar vader, tot 1632 als militair in dienst van de Spaanse Nederlanden en daarna in Staatse dienst, zorgde ervoor dat zijn oudste dochter zich zowel in Zuid- als in Noord-Nederlandse hofkringen bewoog. Ze onderhield vriendschappelijke betrekkingen met Amalia van Solms, en in 1628 woonde ze als vijftienjarige enige tijd aan het hof van Elisabeth Stuart in Den Haag – aan beide vorstinnen was ze verwant. In hetzelfde jaar werd Maria Elisabeth geportretteerd, net als Elisabeth Stuart met lang loshangend haar en sierlijke handgebaren. Misschien was het portret bestemd voor prins Eitel Friedrich, die in 1628 om haar hand kwam vragen. De familie vond de afstand naar het verre vorstendom Hohenzollern erg groot en de onderhandelingen duurden twee jaar. In de huwelijksvoorwaarden werd expliciet vastgelegd dat Maria Elisabeth te allen tijde vrijelijk naar de Nederlanden zou mogen terugkeren. Het paar trouwde in 1630, buiten gemeenschap van goederen.

Haar huwelijk leverde Maria Elisabeth de titel van prinses en een voor tijdgenoten exotische achternaam die op velerlei manieren werd geschreven – d’Oxoldre bijvoorbeeld. Voorzover valt na te gaan is ze nooit in het vorstendom Hohenzollern geweest en woonde ze afwisselend op haar bezittingen in de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden: kasteel Hedel, Mechelen, Brussel, Den Haag. Haar eerste kind – een zoontje – stierf de dag na zijn geboorte, dochter Henriëtte Francisca, geboren in 1642, bleef wel leven en werd door haar grootgebracht. Al in 1635 leefde Maria Elisabeth gescheiden van haar man, die als militair in dienst van de keizer steeds te velde was en door de oorlog en aanspraken van zijn broers in grote schulden was geraakt. Op zijn oude dag woonde hij in Hechingen.

Markiezin of gravin

Als gravin van den Bergh en markiezin van Bergen op Zoom was Maria Elisabeth een rijke erfgename. Deze rijkdom gaf veel strijd. Jarenlang moest zij bij voorbeeld procederen om het markizaat Bergen op Zoom, geërfd van haar moeder. Maria Elisabeths aanspraken werden onder andere betwist door twee nichten van moederskant, van wie Madeleine de Cusance weer was getrouwd met haar neef Albert van den Bergh. Ook Beatrix de Cusance maakte aanspraak op Bergen op Zoom. De strijd was fel. Dit blijkt uit een brief van dochter Henriëtte Francisca aan haar vader waarin ze schrijft niet te kunnen komen omdat de hertog van Lotharingen, echtgenoot van Beatrix de Cusance, haar de doorgang door Duitsland versperde; net als haar moeder is ook zij nooit in Hohenzollern geweest.

Met de regelingen van de Vrede van Münster (1648) kreeg Maria Elisabeth definitief Bergen op Zoom in bezit, en op 16 november 1649 deed ze officieel haar intrede als markiezin. Erg welkom was ze niet in het al decennia lang zelfstandige, protestantse en zeer oranjegezinde Bergen op Zoom. Ze werd slechts door drie leden van de magistraat verwelkomd en van enig feestelijk ceremonieel was geen sprake. Dit had alles te maken met haar katholieke en Zuid-Nederlandse achtergrond. Zo weigerde de drossaard, haar officiële vertegenwoordiger, de eed van trouw aan haar af te leggen.

Maria Elisabeth hield residentie in het Markiezenhof te Bergen op Zoom. Ze gaf opdrachten aan diverse kunstenaars. De beroemde Antwerpse beeldhouwer Artus Quellinus liet zij een nieuwe hofkapel inrichten, en Gerard van Honthorst maakte diverse portretten van dochter Henriëtte Francisca. Met Elisabeth Stuart ruilde ze een van die portretten voor een portret van Louise Hollandine (1622-1709), de lievelingsdochter van Elisabeth met wie Maria Elisabeth bevriend was geraakt. Ook onderhield ze vriendschappelijke betrekkingen met Constantijn Huygens (1596-1687). Hij droeg gedichten aan haar op en noemde haar ‘une Dame de grand savoir’.

Geloofsovergang van Louise Hollandine

Eind 1657 raakte Maria Elisabeth in moeilijkheden doordat zij Louise Hollandine had geholpen toen deze tot het katholicisme overging en daarom in conflict kwam met haar moeder. Uit drie brieven, gevonden in de kamer van Louise, bleek dat Maria Elisabeth haar had geadviseerd hoe zij het haar moeder moest vertellen. Ook bij de uiteindelijke vlucht van Louise op 18 december 1657 was Maria Elisabeth betrokken geweest. Elisabeth Stuart stuurde kopieën van de brieven naar de Staten-Generaal met het verzoek om de schuldigen te straffen. Zij legde alle verantwoordelijkheid bij Maria Elisabeth en weigerde haar nog te ontvangen of zelfs te antwoorden.

Hangende het onderzoek werden markiezin Maria Elisabeth in januari 1658 alle bevoegdheden op het gebied van politie en justitie in Bergen op Zoom ontnomen. Zoveel had ze al gewonnen dat de magistraat zich achter haar schaarde, maar haar tegenstanders richtten vreugdevuren aan en vooral de drossaard zag de kans schoon zijn verloren gegane invloed te herwinnen. Om aan alle onrust in Bergen op Zoom een einde te maken stelden de Staten-Generaal in maart 1658 een onderzoekscommissie in. Nog dezelfde dag dat de kwestie ‘Bergen op Zoom’ door de Staten-Generaal werd behandeld, op 18 januari 1659, werd Maria Elisabeth in al haar rechten hersteld. Volgens archivaris Van Ham was haar regering een zegen voor stad en land. Tussen Maria Elisabeth en Elisabeth Stuart is het echter nooit meer goed gekomen.

Sterfbed Maria Elisabeth

Maria Elisabeth overleed op 29 november 1671 op het Hof te Bergen op Zoom. Dochter Henriëtte Francisca heeft precies beschreven hoe haar sterfbed is geweest: rond acht uur ’s ochtends raakte ze verlamd aan haar rechterarm, haperde haar spraak en stuurde de arts haar naar bed. Nadat ze vervolgens herhaalde malen met haar biechtvader had gesproken, riep ze haar dochter bij zich, zei dat het zeer slecht met haar ging en gaf haar de zegen. Hierna volgde nog een beroerte. Zo overleed ze rond half elf, zonder dat de priester haar het laatste oliesel had kunnen geven. De gereformeerde kerkenraad bepaalde dat de doodsklokken pas na het einde van de avondpredikatie geluid mochten worden.

Archivalia

Het archief van de Heeren en Graven van den Bergh, Huis Bergh, ‘s Heerenberg; het archief der Heeren en Graven van Culemborg; het Gelders Archief, Arnhem; het Gemeentearchief Bergen op Zoom en de archieven Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom.

Literatuur

  • A.P. van Schilfgaarde, Het huis Bergh (Maastricht 1950).
  • W.A. van Ham, Het doorluchtig huis van Bergen op Zoom, een overzicht van de geschiedenis van de heren en markiezen van Bergen op Zoom, hun verwanten en hun bezittingen (1287-1795) (Zaltbommel 1977).
  • W.A. van Ham, Het Markiezenhof te Bergen op Zoom, een overzicht vanuit de bronnen van zijn geschiedenis tot 1795(Bergen op Zoom 1986).
  • Charles de Mooij, Geloof kan bergen verzetten (Hilversum 1998).
  • Nadine Akkerman en Ineke Huysman, ‘Een zeventiende-eeuwse catfight: de geloofsovergang van Louise Hollandina van de Palts als inzet bij de aanspraken op het Markiezaat van Bergen op Zoom (1657-1659)’, De Waterschans 41 (2011) 63-72.

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 255

 


Henriëtte Catharina van Oranje

Henriëtte Catharina van Oranje

Henriëtte Catharina van Oranje

(1637-1708)

HENRIËTTE CATHARINA prinses van ORANJE (geb. Den Haag 10-2-1637 – gest. Oranienbaum, Anhalt-Dessau 4-11-1708).
Dochter van Frederik Hendrik prins van Oranje (1584-1647) en Amalia van Solms-Braunfels (1602-1675).
Henriëtte Catharina trouwde op 16-7-1659 in Groningen met Johann Georg II, vorst van Anhalt-Dessau (1627-1693). Uit dit huwelijk werden 8 dochters en 2 zoons geboren, van wie 3 dochters en 1 zoon jong zijn gestorven.

lees meer ...

Henriëtte Catharina groeide op als vierde kind en derde dochter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Haar ouders, en vooral haar moeder, voerden een ambitieuze huwelijkspolitiek; zo werd Henriëtte Catharina op vijfjarige leeftijd verloofd met de negenjarige Enno Lodewijk van Cirksena, erfgraaf van Oost-Friesland (1632-1660). In 1653 – Henriëtte Catharina was inmiddels zeventien jaar oud – drong hij aan op een huwelijk, maar zij weigerde de schijnbaar ruwe en opvliegende graaf te huwen, zodat de verloving verbroken moest worden. Karel Stuart, prins van Wales, vroeg ook nog om haar hand maar werd door haar moeder afgewezen. Hij had op dat moment geen uitzicht op een troon en was daarom geen geschikte kandidaat, tot verdriet van Henriëtte Catharina, die zijn brieven haar leven lang bewaarde.

Uiteindelijk trouwde Henriëtte Catharina met Johann Georg II, erfprins van Anhalt-Dessau. Het huwelijkscontract werd op 7 december 1658 in Den Haag gesloten. Henriëtte Catharina kreeg van haar familie twaalfduizend rijksdaalders (of 30.000 Hollandse guldens) mee voor juwelen, kleding en levensonderhoud en nog een geldbedrag van twintigduizend rijksdaalders. Bovendien werd vastgelegd dat haar persoonlijke hofhouding uit twintig personen zou bestaan. Van haar vader erfde zij nog eens veertigduizend rijksdaalders. Dit stond in schril contrast met de morgengave van haar man, die bestond uit juwelen (parelsnoer en diamanten) en vijfduizend rijksdaalders. Met het oog op het voordeel van dynastieke uitbreiding in het netwerk van protestantse Duitse vorstendommen namen de Oranje-Nassaus graag genoegen met deze financiële ongelijkheid.

Vorstin van Anhalt

In juli 1659 werd de bruiloft van Henriëtte Catharina en Johann Georg gevierd in Groningen, aan het hof van haar jongere zus Albertine Agnes (1634-1696). Opzettelijk was vanwege de pijnlijke afwezigheid van schoonzus Maria Stuart (1631-1660) en alle mogelijke onopgeloste kwesties rond de hofetiquette (wie had er voorrang boven wie) gekozen voor een plaats ver van Den Haag. Hierna vertrok het bruidspaar naar Anhalt-Dessau, het meest oostelijk gelegen protestantse vorstendom van het Duitse rijk, dat in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) zwaar te lijden had gehad. Een jaar na aankomst stierf Johann Georgs vader, en dat betekende dat hij regerend vorst van Anhalt-Dessau werd. Tijdens zijn veelvuldige afwezigheid nam Henriëtte Catharina de regeringszaken waar, want Johann Georg trad in dienst van zijn zwager Friedrich Wilhelm I, de keurvorst van Brandenburg en bracht het tot veldmaarschalk en stadhouder. Tijdens de beginjaren van hun huwelijk woonde het paar veelal bij zus Louise Henriette (1627-1667) en haar man Friedrich Wilhelm I in Berlijn, waar de eerste vier kinderen geboren werden – drie van hen stierven jong. De volgende dochter werd in Kleef geboren en de vier kinderen daarna, onder wie zoon Leopold I (1676-1747), in Dessau.

Henriëtte Catharina speelde een belangrijke rol bij de wederopbouw van Anhalt-Dessau, niet alleen door het geld dat ze meebracht maar ook door de meegebrachte kennis, dankzij haar opvoeding in een land dat in veel opzichten vooropliep. Zo innoveerde zij de dijk- en bruggenbouw, bouwde een glasblazerij, voerde de tabaksteelt en -industrie in en liet uit de Nederlanden zowel handwerkslieden en kunstenaars als boeren komen die nieuwe procedé’s en technieken in de regio introduceerden. Haar eerste grote opdracht was de bouw van een protestantse kapel. Toen haar echtgenoot Johann Georg II in augustus 1693 onverwacht stierf, werd Henriëtte Catharina, inmiddels 56 jaar oud, regentes voor haar enige, nog onvolwassen, zoon. Met de stichting van een (hervormd) weeshuis, een huis voor oude vrouwen en de afkondiging van een streng regiem voor wezen en een vloekverbod voor procureurs gaf ze te kennen zich ook om de morele en sociale opbouw van het vorstendom Anhalt te bekommeren. Haar zoon zou zich een reputatie in het leger verwerven, niet alleen als militair, maar ook als groot ijveraar voor het bevorderen van de discipline.

Prinses van Oranje

Net als haar drie zussen heeft Henriëtte Catharina haar hoogadellijke afkomst als soevereine prinses van Oranje zichtbaar gemaakt. Henriëtte Catharina ging het verst hierin. Het van haar man gekregen dorpje Nischwitz, twaalf kilometer ten oosten van residentiestad Dessau, liet ze helemaal herinrichten tot het modelstadje Oranienbaum met symmetrisch aangelegde straten rondom een vierhoekig marktplein. Voor de bouw en aanleg van het slot en het park, ook Oranienbaum genoemd, verleende ze in 1681 een opdracht aan de Nederlandse bouwmeester Cornelis Ryckwaert. Dessau werd gemoderniseerd door de bouw van een winkelgalerij en van huizen met namen als Huis Oranje en Huis Holland. De twee stadjes, het slot en het park werden tot een samenhangend geheel gemaakt door middel van zichtassen. Deze planologische visie en planning was tot haar komst in Anhalt onbekend. In een tweede bouwfase liet ze het slot opnieuw uitbreiden tot haar ‘Witwensitz’. Ook het interieur regelde ze zelf en bracht zo de Haagse hof- en wooncultuur naar Dessau. Zo ontstond onder andere de nog volledig intacte, met Nederlandse tegels beklede zomereetzaal. Haar afkomst was overal zichtbaar; in de zalen met meer dan 270 schilderijen, voornamelijk familieportretten, en in de tuin waar een grot was ingericht met marmeren bustes van mannen uit de Oranjedynastie.

Intussen bleef Henriëtte Catharina ook zorg besteden aan de toekomstige dynastieke belangen van de Oranjes. Een vurige wens van haar en haar zus Albertine Agnes ging in vervulling toen haar oudste dochter Henriëtte Amalia (1666-1726) trouwde met Hendrik Casimir II (1657-1696), zoon van Albertine Agnes. Van de uit deze verbintenis geboren zoon stamt koningin Beatrix in directe lijn af. Henriëtte Catharina’s enige zoon, Leopold, liet zich niet door haar een huwelijkskandidaat opdringen: nadat hij in 1698 volwassen en daarmee vorst van Anhalt was geworden, trouwde hij met zijn jeugdliefde Anna Louise Föse (1677-1745), een apothekersdochter.

Erfenis

Via Henriëtte Catharina – de langstlevende dochter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms – is een groot deel van het roerende familiebezit van de Oranjes in Duitsland terecht gekomen. Maar dat niet alleen. Al voor haar huwelijk moet zij zich een rol hebben aangemeten als bewaker van de Oranjedynastie. Zij bewaarde bijvoorbeeld de memoires van haar vader, op grond waarvan M. de Beausobre in 1733 een boek kon publiceren met de titel Mémoires de Frederic Henri prince d’Orange qui contiennent ses expéditions militaires depuis 1621 jusqu’à l’année 1646, in Amsterdam uitgeven. Ook over een deel van de archieven van haar broer Willem II (1626-1650) had zij zich ontfermd; dit verklaart waarom deze papieren in Anhalt-Dessau terecht zijn gekomen. In augustus 1703 maakte Henriëtte Catharine haar testament en hanteerde hetzelfde verdelingsprincipe als haar moeder had gedaan waardoor slot Oranienbaum (naar haar zoon) bijna alle schilderijen (naar haar dochters) kwijtraakte.

Op 4 november 1708 overleed ze, 72 jaar oud, in Oranienbaum. Henriëtte Catharina werd 22 dagen later, na een nachtelijke processie van zes uur, begraven onder het koor van de Schloss- und Stadtkirche H. Maria in Dessau. Wat haar verdere gevoelens waren mocht niemand weten, want alle brieven die ze in haar kabinet bewaarde, waaronder die van Karel Stuart, gingen op haar verzoek mee het graf in.

Pas bij het onderzoek naar de herkomst van de naam van het stadje Oranienbaum bij het driehonderdjarig bestaan in 1955, is de centrale rol die Henriëtte Catharina bij de ontstaansgeschiedenis ervan speelde (weer) bekend geworden. Haar actieve rol en afkomst als prinses van Oranje werd in haar eigen tijd wél gezien door de anonieme schrijver van de tekst VonOranienboom (1698/99), maar weggelaten in het toonaangevende boek over de geschiedenis van Anhalt, het in 1693 op initiatief van haar man begonnen Historie des Fürstenthums Anhalt door Johann Christoph Beckman, die pas in 1710 verscheen. Nu is Henriëtte Catharina weer én vorstin van Anhalt én, net zo belangrijk, een schakel in de Oranjedynastie met als symbool de sinaasappelboom, een boom die tegelijkertijd bloesem en vrucht draagt.

Naslagwerken

Van der Aa; Van Ditzhuyzen; NNBW; Oranje van A tot Z.

Literatuur

  • Th. Jorissen, ‘Een vorstelijk engagement’, in: Idem, Historische bladen 1 (Haarlem 1895) 83-119.
  • M.C. Nijland, ‘Een prinses van Oranje, vorstin van Anhalt’, Eigen Haard 49 (1896) 772-778 [herdrukt in Historia (1936) 244-246].
  • M.W. Maclaine Pont, ‘Henriëtte Catharina van Nassau’, in: F.J.L. Krämer, E.W. Moes en P.Wagner red., Je maintiendrai. Een boek over Oranje en Nassau 2 (Leiden z.j. [1906]) 130-135.
  • Johanna W.A. Naber, Onze vorstinnen uit het huis van Oranje-Nassau in het stadhouderlijk tijdperk (Haarlem 1911) 13-20.
  • A.M.H. Smeenge, Henriëtte Catharina van Nassau 1637-1708 (Amsterdam 1932).
  • Katharina Bechler en Wolfgang Savelsberg, ‘Henriette Catharina van Oranje-Nassau en het vorstendom Anhalt-Dessau’, in: Markus Schlacht en Jörg Meiner red., Onder den Oranje Boom. Nederlandse kunst en cultuur aan Duitse vorstenhoven in de zeventiende en achttiende eeuw (München 1999) 317-356.
  • Katharina Bechler, Schloss Oranienbaum, Architektur und Kunstpolitik der Oranierinnen in der zweiten Hälfte des 17. Jahrhunderts (Halle 2002).
  • Ingo Pfeifer en Wolfgang Savelsberg red., Oranienbaum, Huis van Oranje. Wiedererweckung eines anhaltischen Fürstenschlosses. Oranische Bildnisse aus fünf Jahrhunderten, Tentoonstellingscatalogus Oranienbaum (Dessau-Wörlitz 2003).

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 320

 


praalgraf Anna van Ewsum en Carel Hieronymus ln Midwolde

praalgraf Anna van Ewsum en Carel Hieronymus ln Midwolde

Anna van Ewsum

(1640-1714)

EWSUM, Anna van (geb. Nienoord, Groningen 1640 – gest. Midwolde 6-11-1714), opdrachtgeefster van een opmerkelijk grafmonument.
Dochter van Willem van Ewsum, heer van Neyenoord, Vredewold en Noordwijk (1608-1643), en Margaretha Beata Frydag toe Goedens (1621-1665/1667).
Anna van Ewsum trouwde (1) op 2-6-1657 met Carel Hieronymus van In- en Kniphuisen (1632-1664), gedeputeerde ten Staten-Generaal; (2) in oktober 1665 met Georg Wilhelm, in 1694 door de Duitse keizer verheven tot rijksgraaf van In- en Kniphuisen (1635-1709). Uit huwelijk (2) werd 1 zoon geboren.

lees meer ...

Anna van Ewsum was enig kind en de laatste erfgename van een van de belangrijkste adellijke families in de Ommelanden. Zij was zeventien toen ze trouwde met Carel Hieronymus van In- en Kniphuisen uit Oostfriesland, de jongere broer van haar stiefvader. Carel Hieronymus stierf in de zomer van 1664 in Den Haag, nadat hij ziek was teruggekeerd van een ambtsreis naar Vlaanderen. Nog voor de begrafenis gaf Anna opdracht aan de beeldhouwer Rombout Verhulst voor het oprichten van een grafmonument voor haar echtgenoot in de kerk van Midwolde. Het moest, zo staat in het contract, de beide echtelieden bevatten, ‘levensgroot en net uitgehouwen’. De prijs voor het graf: drieduizend rijksdaalders. Met zijn details en verdere afwerking is het een perfectionering van het praalgraf zoals Verhulst dat voor Maria van Reigersberch had gemaakt. Carel Hieronymus ligt vooraan, Anna ligt hoger en daardoor middenin het blikveld. Zij is mooi en vrouwelijk afgebeeld. Uit dit contract blijkt ook dat Verhulst het praalgraf in Den Haag heeft gemaakt. Waarschijnlijk heeft Josina van Loewenstein dit praalgraf daar gezien: na haar mans dood in 1669 liet ook zij een dergelijk grafmonument vervaardigen, in nauwkeurige navolging van dat van Ewsum.

Vijftien maanden na de dood van Carel Hieronymus van In- en Kniphuisen hertrouwde Anna van Ewsum met Georg Wilhelm van In- en Kniphuisen, de achterneef van haar eerste echtgenoot. Op enig moment  – het is onduidelijk wanneer – is een putto van het grafmonument weggehaald om daar ruimte te creëren voor de beeltenis van Georg Wihelm, gemaakt door Bartholomeus Eggers. Anna en haar tweede echtgenoot zijn beiden in het desbetreffende graf begraven.

Literatuur

  • J.A. Feith, Inventaris van het huisarchief van ‘De Nienoord’, gedeponeerd in het oud-archief in Groningen (Groningen 1890).
  • W.J. Formsma, R.A. Luitjens-Dijkveld Stol, en A. Pathuis, De Ommelander Borgen en Steenhuizen (Assen 1973).
  • Reindert Hovinga, Nienoord: historie van een Groninger borg (Groningen 1997).
  • H.B. Vos, De Nienoord: huis en historie (Groningen 1977).
  • Frits Scholten, Sumptuous memories. Studies in seventeenth-century Dutch tomb sculpture (Zwolle 2003).
  • Wil Tiemes, Weduwes en praalgraven. Een onderzoek naar drie vrouwen uit de Gouden Eeuw als opdrachtgeefster en als model [ongepubliceerde doctoraalscriptie Universiteit Utrecht 2004].

 


Maria prinses van Oranje

Maria prinses van Oranje

Maria van Oranje

(1642-1688)

MARIA prinses van ORANJE (geb. Den Haag 5-9-1642 – gest. Kreuznach, Duitsland 20-3-1688).
Dochter van Frederik Hendrik prins van Oranje (1584-1647) en Amalia van Solms-Braunfels (1602-1675).
Maria van Oranje trouwde op 13/23-9-1666 in Kleef met Lodewijk Hendrik paltsgraaf van Simmern-Lautern (1640-1673). Dit huwelijk bleef kinderloos.

lees meer ...

Maria was de vierde en jongste dochter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Van kleins af aan zijn er portretten van haar gemaakt waarin de naam en leden van de Oranjedynastie verheerlijkt worden. Als jong meisje werd ze een aantal keren samen met haar neef, de latere Willem III, geportretteerd. Ook is er een portretje van Maria als meisje met in haar hand een medaillon van haar oudste zus Louise Henriette. Als kennismakingsportret voor haar toekomstige echtgenoot diende misschien een portret door Daniël Mijtens waarop Maria een opvallend rijkostuum draagt.Wie de echtgenoot van Maria van Nassau zou worden in deze voor de Oranjes niet zo gunstige tijd – het eerste stadhouderloze tijdperk – was lange tijd onzeker. Vanaf 1660 hoopte haar moeder op een verbintenis met Karel II van Engeland. Deze was tijdens zijn ballingschap in de Republiek nog beleefd afgewezen toen hij avances had gemaakt naar Maria’s zus Henriette Catharina, maar als nieuwe koning van Engeland was hij weer een aantrekkelijke partij. Samen met schoonzoon Frederik Willem van Brandenburg ging Amalia opnieuw onderhandelingen aan, maar Karel II koos voor een Portugese prinses. Na onderhandelingen met een hertog van Sleeswijk-Holstein-Gottrop die aan de drank bleek te zijn, vond men uiteindelijk een geschikte kandidaat in Maria’s achterneef: Lodewijk Hendrik Maurits paltsgraaf van Simmern. In de akte van huwelijksvoorwaarden, opgesteld in maart 1666, werd onder andere vastgelegd dat het bruiloftsfeest die zomer te Kleef gevierd zou worden. Toch werd het huwelijk pas op 23 september 1666 gesloten. Ter verklaring van dit uitstel wordt vaak gewezen op de Mémoires van Arnaud de Gramont, comte de Guiche, die meldt dat de bruid het huwelijk lang had tegengehouden. Uit de definitieve akte van september 1666 valt misschien de reden daarvoor op te maken. Hierin beloofde Lodewijk Hendrik zijn bruid een morgengave ‘als volgens haar vorstelijke kwaliteit’ en een bedrag van tienduizend rijksdaalders (25.000 carolusgulden, jaarlijks tien procent rentegevend) waarover zij naar eigen goeddunken kon beschikken, terwijl in de huwelijksvoorwaarden van maart 1666 slechts sprake was van vijfduizend rijksdaalders. Maria d’Orange, zoals zij zich noemde, heeft er veel aan gedaan haar familienaam hoog te houden. Ten zuiden van Kreuznach liet zij het Augustinessenklooster ombouwen tot een nieuw slot: Oranienhof. Evenals haar drie zussen liet Maria een buitenverblijf bouwen waarin de naam ‘Oranje’ was opgenomen. Omdat haar man Lodewijk Hendrik al in 1673 overleed en zij geen kinderen hadden, viel alle bezit weer toe aan de regerend keurvorst Karel I van de Palts. Maria hield tot haar dood de beschikking over de woonsteden, maar woonde voornamelijk op haar ‘Witwensitz’ in Kreuznach. Bij de dood van haar moeder in 1675 kreeg zij juwelen ter waarde van 56.465 gulden (Van Ditzhuyzen, 198) en ook nog het vruchtgebruik over kasteel Turnhout. Nog in hetzelfde jaar heeft zij zich vorstelijk als Vrouwe van Turnhout laten afbeelden.Op 20 maart 1688 overleed Maria van Oranje, 45 jaar oud, aan de gevolgen van een longontsteking. Haar testament zorgde nog voor een controverse: ze vermaakte Oranienhof aan haar opperstalmeester en raadgever Johann Kasimir Kolb, terwijl het oorspronkelijke klooster al ten onrechte ooit aan haar was geschonken – het was namelijk het bezit van de regerend keurvorsten Van de Palts. Een jaar na haar dood werden Simmern en Kreuznach verwoest door de Fransen. Ook Oranienhof werd ernstig getroffen en wat ervan restte werd in de achttiende eeuw afgebroken. Niets is er bewaard gebleven, zelfs geen afbeelding of beschrijving. De tinnen pronksarcofagen van Maria en Lodewijk Hendrik zijn wel bewaard in de Stephanskirche in Simmern. In Bad Kreuzbach leeft Maria’s naam onder meer voort in de naam van een park, een straat en een bron.

Naslagwerken

Van der Aa; Van Ditzhuyzen; NNBW; Oranje van A tot Z.

Literatuur

  • A. Staring, ‘Prinses Maria van Oranje, hertogin van Simmern’, Jaarboek Vereniging Oranje Nassau Museum (1932) 39-40.
  • J.C. van der Does, Prinsessen uit het Huis van Oranje (Putten 1939) 168-172.
  • F.W. van den Berg, ‘Maria van Oranje. Een bijna vergeten telg uit ons vorstenhuis’, Jaarboek Vereniging Oranje Nassau Museum (1993) 6-21.
  • G. van der Meer, ‘Houtsnijwerk door Maria van Oranje, hertogin van Simmern?’, Jaarboek Vereniging Oranje Nassau Museum (1995) 67-74.
  • Katharina Bechler, Schloss Oranienbaum. Architektur und Kunstpolitik der Oranierinnen in der zweiten Hälfte des 17. Jahrhundert  (Halle (Saale) 2002).
  • P.G. Schulte, ‘Maria von Simmern’, in: Onder den Oranjeboom, Oranienbaum – Huis van Oranje, tentoonstellingscatalogus Schloss Oranienbaum (Dessau 2003) 369-376.

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 330